‘Wij zijn buitengewoon charmant’

Her en der door het arboretum kom je ons tegen. Ja, jullie vieren dit jaar wel een gouden jubileum, met die bloeiende import in de hoofdrol, maar aan ons wordt argeloos voorbij gegaan, ons wordt niet eens een blik waardig gegund, alsof je niet mee telt. Terwijl wij er al staan vanaf die memorabele plantdag in november 1968, waarop de Eerummers ons in de grond hebben gezet. Dus eigenlijk zouden wij degenen zijn die jullie moeten feliciteren. Wanneer horen wij eens dat we de aandacht krijgen? Alleen als we in de ogen van mensen wat te vroeg onze bloemen laat zien, dan horen wij over ons spreken. Net of wij die lui moeten vertellen dat de winter voorbij is. Maar we wonen natuurlijk al lang in deze contreien, we hebben ons al eeuwen aangepast aan het grillige weerpatroon,

ons deert het niet meer. Oervolken, zoals de Kelten, die waren veel beter over ons te spreken. Ze dichtten ons magische krachten toe. Vandaar dat in het artsensymbool, de Esculaap, gebruik is gemaakt van onze takken waarover de slang kruipt. Mensen die jarig zijn in het voorjaar tussen 22 maart en 31 maart en in het najaar tussen 24 september en 30 september hebben ons als boomsymbool in de Keltische verjaardagskalender. Als je de Kelten moet geloven zijn deze jarigen eerlijk, begripvol en buitengewoon charmant. Je bent gek op veranderingen. Soms verander je de dingen zo snel, dat ze nauwelijks de tijd krijgen om in je te wortelen.

Als voorjaarsboom zijn jullie inderdaad zeer actief en ambitieus. De najaarsvariant kan goed manipuleren. We hebben het natuurlijk over de hazelaar, in het Latijn Corylus avallana. Een plantensoort die hier gekomen is in de perioden tussen de ijstijden, waar ruimte kwam voor dichte wouden van eik, iep en haagbeuk. In de droge perioden met strenge vrieskou zijn ze verdwenen, omdat de loofhoutwouden veranderden in donkere naaldhoutbossen. De hazelaar is daarom ook een prima indicator om temperatuurschommelingen waar te nemen. Vandaar dat archeologen dankbaar gebruik maken van stuifmeel van de hazelaar in de bodem om de ouderdom vast te stellen.

De hazelaar heeft zich prima aangepast om te groeien in de schaduw. Dit houdt in: vroeg voordat het bladerdek van het bos gesloten is zorgen voor je nageslacht. Vandaar dat de hazelaar al in januari –  februari bloeit, soms al eerder. De hazelaar is eenhuizig, dus op één plant vind je bloemen die alleen stuifmeel maken, dus manlijk zijn en bloemen die stampers hebben en vrouwelijk zijn. De manlijke katjes hangen als lange snottebellen aan de struik en vallen direct op. Voor de vrouwtjes moet je dichter naar de plant komen om de paarsrode stamper te zien.

 Hazelnotenhout is buigzaam en taai, vandaar dat het in de oudheid veel gebruikt werd als er gebogen hout nodig was, zoals voor tenten en om bogen voor de jacht te maken.

 

Martin Spiljart

 

Zij hebben het lef om hun kop boven het maaiveld uit te steken

Ieder jaar maar weer spelen ze het klaar, met vereende kracht wringen ze zich naar boven. En zie, het worden er elk jaar meer die de strijd  aangaan om hun kop boven het maaiveld uit te steken. Ja, overal in het arboretum bruisen ze de grond uit. Al vanaf begin februari, zijn de eerste gesignaleerd, maar de strijd gaat door tot in mei. Gelukkig maar, want door hun strijd kunnen de vele bollen en knollen die in de Notoarestoen staan ons in deze tijd van het jaar het ultieme lentegevoel geven. De notaris heeft in het verleden er al veel aangeplant. In het archief zijn de aankooplijsten nog terug te vinden. Door zijn inspanning kunnen we nu hiervan volop genieten.

Maar de afgelopen jaren hebben we  ieder najaar nieuwe soorten en rassen aan het sortiment toegevoegd zodat het er elk jaar meer worden. Er staan  verspreid over het hele arboretum grote, mindere grote en zelfs hele kleine groepen van lentebodes, zoals  winterakonieten, sneeuwklokjes, sneeuwroem, boshyacinten in diverse soorten, krokus, een breed sortiment ouderwetse en moderne rassen van  de narcis, botanische tulpenrassen, blauwe druifjes in meerdere soorten, daslook, anemone-soorten, Italiaanse aronskelk, speenkruidrassen, lenteklokjes, en nog veel meer.

Laat je verrassen door al die verschillende soorten lentebloeiers.Kijk rond, en ontdek, maar vooral geniet er nu van, want de komende periode heeft het arboretum iedere week een andere kleur.

Maar waarom hebben sommige planten bol- of knolvormige organen onder de grond? Laten we voorop stellen planten doen niets voor niets, ze hebben er een bedoeling mee. Als je kijkt waar deze planten van oorsprong vandaan komen merk je dat ze groeien in gebieden waar het in de zomermaanden behoorlijk droog is, of ze groeien in bossen waar het gesloten bladerdek voorkomt dat er licht op de bodem valt. Nu zijn water en licht twee belangrijke groeivoorwaarden voor planten.

Zonder water zou de plant verdrogen, en zonder licht kan de plant geen suiker, een belangrijke voedingsbron, maken. Door het aanleggen van opslagschuren (bollen en knollen) kan er een voorraad aan water en voeding worden opgeslagen om de moeilijke perioden van droogte of het ontbreken van licht te overbruggen. Om die voorraadschuren vol te krijgen moeten deze planten er op tijd bij zijn. Voordat de droogte invalt moet er water worden gehamsterd. En om van het licht te profiteren moeten de bosplanten hun belangrijkste groeiperiode hebben in de tijd dat de bomen hun bladeren nog niet of nauwelijks ontwikkeld hebben. Vandaar dat bol- en knolgewassen zo kenmerkend zijn voor de lenteperiode.
Maar ik spreek steeds van bollen of knollen. Zit daar verschil in dan? Ja, daar zit verschil in.

Eerst maar eens even de biologieles opfrissen. Planten kennen eigenlijk maar drie hoofdorganen, namelijk wortels, stengels en bladeren. Alle andere organen zijn hiervan afgeleid, ook bollen en knollen. Zo ogenschijnlijk zit er weinig verschil tussen bollen of knollen, maar als je kijkt welk hoofdorgaan de plant  heeft gebruikt om te verbouwen tot voorraadschuur dan zijn bollen eigenlijk bladeren. Knollen daarentegen zijn ontstaan uit vervormde stengels of wortels.                                                             

                                 Martin Spiljart

Vreemd gaan


Er staat sinds afgelopen jaar een schuinsmarcheerder in het arboretum, zo een die het niet zo nauw neemt. Een die ongegeneerd vreemd gaat, en nog wel met een ver familielid. Nou blijkt, als je de literatuur er op naslaat, dit in deze familie wel vaker voor te komen.

Arjan Laros van boomkwekerij Esveld uit Boskoop heeft hier ook al eens een artikel over geschreven, wat in Arbor Vitae 2-19 van 2009 is gepubliceerd. In dit geval is het een kruising tussen twee geslachten uit de heidekruidfamilie, aan een kant Rhododendron en de andere partner is een Ledum, dit gaf X Ledodendron. We noemen dit dan bij planten een intergenetische bastaard. Het X teken voor de naam geeft aan dat dit een bastaard is. Maar ik zeg “gaf” want met de huidige naamstelling is dit niet meer zo, n.l.  Ledum is al enige tijd opgegaan in het geslacht Rhododendron. Dus thans is er geen sprake meer van “vreemd” gaan.

De plant in kwestie staat nabij het bord waarop onze sponsors adverteren. Het is Rhododendron ‘Arctic Tern’. Een Amerikaanse kruising van H.L. Larson, en in Europa door Peter Cox (1982) geregistreerd, van Rhododendron trichostomum met Ledum groenlandicum (Rhododendron groenlandicum). Een laat in mei bloeiende “dwergrhododendron” die bloeit met 3 – 4 cm grote bloemtrosjes van witte bloemen.

Overigens in het arboretum staan nog wel meer van die “vreemd” gaande planten, want ook bij de rozenfamilie lusten ze er wel pap van.

 

Martin Spiljart

Martin Spiljart